SMartBe

baseline

maandag 8 maart 2010

Productie- en distributiehuizen: een positieve zaak?

Als er een actuele vraag is, dan is het wel: “Heeft een kunstenaar tussenpersonen nodig?” Moet de uitbouw van productie- en distributiehuizen dan gestimuleerd worden? Moet de overheid zulke initiatieven dan aanmoedigen en subsidiëren?

Een productie- en distributiehuis is een structuur die dient om op tijdelijke basis met kunstenaars samen te werken. Zo’n soort structuur lijkt op het eerste zicht ideaal om aan de behoeften van kunstenaars tegemoet te komen want zij richten alsmaar minder eigen autonome structuren op. Productie- en distributiehuizen laten hen enerzijds toe om hun vrijheid te behouden en anderzijds zijn ze voor de kunstenaar zelf ook goedkoper. Ze lijken de perfecte tussenpersoon tussen kunstenaars en verdelers/producers te vormen. Bovendien beschikken ze over een bestaand netwerk.

Maar het is goed om ook andere elementen in overweging te nemen om dit soort structuren te evalueren: de keuze van de kunstenaars bijvoorbeeld. Een productie- en distributiehuis moet het domein dat ze wil bestrijken goed omschrijven en moet er ook over waken om een coherentie artistieke identiteit te behouden. Dat is belangrijk om geloofwaardig te blijven tegenover de programmatoren en de cultuurhuizen. Het is niet mogelijk om iedereen te verdedigen. Daardoor kan er een onevenwicht ontstaan tussen kunstenaars die zich voegen naar de artistieke criteria van deze huizen en andere kunstenaars die niet in aanmerking komen om steun te krijgen.

Subsidies voor productie- en distributiehuizen kunnen er ook toe leiden dat deze structuren door overheidsinstellingen geïnstrumentaliseerd worden. Deze huizen moeten volkomen onafhankelijk blijven op het vlak van hun werking en artistieke keuzes.

Hoe zit het dan met de relatie tussen de kunstenaar en de programmator? Zorgt de komst van een tussenpersoon er niet voor dat dansvoorstellingen een handelswaar zoals vele andere worden? Voelt de kunstenaar zich nog langer verantwoordelijk voor en is hij zich nog bewust van de relevantie van zijn project als hij helemaal vervreemdt van de niet-artistieke aspecten?

Hoe kan je behalve deze opgesomde valstrikken vermijden dat “jonge kunstenaars” niet helemaal opnieuw moeten beginnen als ze eenmaal doorgroeien? Dat ze een netwerk buiten het productie- en distributiehuis uitbouwen. Anders zou dit alle steun nutteloos maken. Hoe kan je er dus voor zorgen dat de kunstenaars betrokken blijven bij de productie en verdeling als deze aan derden wordt uitbesteed?

Als de overheid dus besluit om deze weg in te slaan en productiehuizen begint te subsidiëren, iets dat er op verschillende vlakken voor de kunstenaars veelbelovend uitziet, moeten we toch hopen dat dit effectief een springplank wordt en de artistieke creaties niet afremt. Want uiteindelijk draait alles wel daar rond.

Virginia Petranto 

Virginia Petranto heeft aan het IHECS communicatiewetenschappen gestudeerd. Nu werkt ze voor verschillende dans- en theatergezelschappen en voor de choreografenvereniging RAC (Réunion des Auteurs chorégraphes). Zij schrijft op onregelmatige basis voor het danstijdschrift NDD van Contredanse.